De Benelux Unie leidt het project “Indicatoren voor de lokale overgang naar een koolstofarme economie in de Benelux” in goede banen in samenwerking met het OESO te Parijs. Dit project wordt in het kader van het LEED OESO-programma uitgewerkt onder toezicht van Dr. Cristina Martinez-Fernandez, Senior Beleidsanaliste. Met name de grensoverschrijdende dimensie van het project werd erg positief onthaald binnen het Directiecomité van het LEED OESO en kan worden beschouwd als een innovatieve aanpak binnen de activiteiten van het OESO. De drie vertegenwoordigers van de Benelux-landen binnen het OESO waren actief betrokken bij de voorbereiding van het project.
De grensoverschrijdende aanpak van de overgang naar een koolstofarme economie vertegenwoordigt het innovatieve aspect van het project. Het project zal zich in het bijzonder toespitsen op twee grensoverschrijdende gebieden binnen de landsgrenzen van de Benelux-landen:
- Het grensoverschrijdende cluster van de “bio-economie” (in de provincies West-Vlaanderen (B), Oost-Vlaanderen (B), Antwerpen (B), Zeeland (NL) en Noord-Brabant (NL)
- Het grensoverschrijdend gebied van de drie-landen-regio Frankrijk-België-Luxemburg en meer in het bijzonder de regio Belval
Het project beoogt binnen deze grensoverschrijdende regio’s de bestaande algemene sleutelindicatoren voor een overgang naar een koolstofarme economie te verfijnen en probeert hierbij nieuwe specifieke indicatoren te definiëren op lokaal, regionaal en grensoverschrijdend vlak. Deze acties zijn noodzakelijk ter ondersteuning van de uitwerking van het te voeren beleid in het kader van de Europese Strategie 2020. De doelstelling bestaat erin meetbare indicatoren te definiëren voor de Benelux en zijn lidstaten die mettertijd de nodige informatie kunnen verstrekken over de overgang naar een koolstofarme economie en koolstofarme industriële activiteiten, waarbij, enerzijds, de schepping van arbeidsplaatsen en de economische ontwikkeling in specifieke ontwikkelingsgebieden en, anderzijds, de duurzame ontwikkeling centraal staan.
Het project bestaat uit drie verschillende onderdelen:
- De uitwerking van een gebiedsbeschrijving;
- Het spiegelen van de bestaande basisindicatoren aan de specifieke regionale en lokale grensoverschrijdende situatie tijdens een werkgroep;
- De publicatie van de resultaten in de vorm van een nationale en internationale publicatie.
Ad 1. In eerste instantie, zullen de eigenschappen van de weerhouden grensoverschrijdende gebieden vergeleken worden met de beschikbare informatie uit gegevensbanken van het OESO. Hierbij zullen OESO-deskundigen in nauwe samenwerking met de door de OESO aangestelde nationale deskundige de lokale informatie onderzoeken.
Ad 2. In 2012, zullen er tijdens een internationale werkgroep kennisuitwisselingen plaatsvinden tussen internationale en OESO-deskundigen en lokale deskundigen uit de twee grensoverschrijdende gebieden.
Ad 3. Er zal een verslag worden uitgewerkt voor de weerhouden grensoverschrijdende gebieden dat gebaseerd is op de resultaten van de werkgroep die door de OESO zullen worden opgenomen in een internationale publicatie. De meerwaarde is tweeledig: zo zullen de Benelux-landen beter worden geïnformeerd over de overgang naar een koolstofarme economie binnen de weerhouden gebieden en zullen tegelijkertijd de goede praktijken in een grensoverschrijdend kader internationaal worden gepubliceerd, wat de weg zal vrijmaken voor grensoverschrijdende initiatieven, zoals het cluster van de “bio-economie” in het grensoverschrijdend gebied van België en Nederland, en de ontwikkeling van de “Eco-cité” en de regio Belval in het grensoverschrijdend gebied van Luxemburg, Frankrijk en België.
Met het oog op de uitwerking van de inhoud van het project, werden de nodige contacten gelegd in de twee grensoverschrijdende regio’s. Het Secretariaat-Generaal van de Benelux Unie heeft het project en de desbetreffende doelstellingen voorgesteld in het kader van een aantal informatiesessies en heeft de samenwerking tussen de betrokken regionale en lokale overheden en bemiddelende organisaties gewaarborgd. Hierdoor werd een erg positieve lokale deelname aan het project verzekerd. Het project heeft het voorwerp uitgemaakt van een reeks debatten in het kader van twee vergaderingen van de Werkgroep “Economie” van de grensoverschrijdende organisatie “Euregio Scheldemond”, waarop verschillende regeringsautoriteiten en bemiddelende organisaties (de Kamer van Koophandel, Voka, Unizo, ontwikkelingsmaatschappijen, …) onder andere de thematiek van het cluster van de grensoverschrijdende bio-economie hebben behandeld.
Internationale workshops op 11 en 12 juni
Op 11 en 12 juni 2012 werden in Gent (België) en Belval (Luxemburg) twee workshops georganiseerd over groene groei. Gedurende deze twee dagen, hebben internationale en lokale experten en institutionele en plaatselijke autoriteiten gedebatteerd over welke indicatoren van belang zijn om lokale groene groei te kunnen meten.
De workshops werden georganiseerd door het Secretariaat-Generaal van de Benelux Unie (gevestigd te Brussel) in samenwerking met de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (gevestigd te Parijs). De doelstelling bestond erin meetbare indicatoren te definiëren die in de toekomst informatie kunnen leveren over de lokale overgang naar koolstofarme economische en industriële activiteiten en die de creatie van arbeidsplaatsen, economische groei en duurzame ontwikkeling kunnen stimuleren. Op deze manier draagt de Benelux bij tot de ontwikkeling van een objectief instrument voor de publieke en private sector dat het in de toekomst mogelijk zal maken om te bepalen hoe ´groen´ deze sectoren werkelijk zijn.
Aangezien de OESO algemene indicatoren heeft ontwikkeld voor groene groei op nationaal niveau, wil de Benelux deze indicatoren verfijnen om te kijken hoe zij kunnen worden toegepast op lokaal vlak en meer in het bijzonder binnen grensoverschrijdende regio’s. Wat de groene economie betreft, is het van belang rekening te houden met wat er zich aan de andere kant van de grens afspeelt. Tijdens de workshops fungeerden twee Benelux-regio’s als bron van inspiratie.
Het was belangrijk om het gebied tussen Gent (België) en Terneuzen (Nederland), dat ook wel het "Europese cluster van de bio-economie” wordt genoemd, in overweging te nemen. Dit omdat binnen deze regio reeds de nodige ervaring werd opgedaan dankzij grensoverschrijdende activiteiten op het vlak van het gebruik van biobrandstof. De synergiën tussen onderzoek, ontwikkeling, productie en opleiding op het vlak van de bio-economie en de snelle oprichting van een ecosysteem voor de ontwikkeling van groene skills vertegenwoordigden hier een duidelijke meerwaarde.
De andere regio, die gelegen is in het Groothertogdom Luxemburg en aan de Franse grens, en Belval wordt genoemd, werd genomen vanwege de uitdagingen die gepaard gaan met de gloednieuwe omschakeling van een industriële naar een dienstenregio. De ontwikkeling van groene skills is een hoofddoelstelling voor de nieuwe groene economie in opbouw.
Door zich binnen dit OESO-project toe te spitsen op twee grensoverschrijdende regio’s, benadrukt de Benelux als voorloper het belang van de lokale ontwikkeling op het vlak van de groene groei. Zo kunnen ook andere regio’s wereldwijd de nodige lessen trekken uit de ervaringen die werden opgedaan in het kader van deze twee testcases.
De resultaten van deze workshops zullen gepubliceerd worden in een OESO-verslag voor de Benelux en zullen eveneens worden opgenomen in een samenvattend verslag waarin de situatie in Denemarken, Duitsland en Chili zal worden vergeleken. In 2013 zal er rond dit thema een internationale conferentie worden georganiseerd. Meer informatie over het project kan worden geraadpleegd op de website van de OESO LEED www.oecd.org/cfe/leed/projects/lowcarbonof de Benelux Unie www.benelux.int.
De twee deskundigen zullen de uitwerking van het regionale verslag in goede banen leiden. Dr. Ariane König zal tussenkomen als deskundige voor de regio Belval. Zij is momenteel actief binnen de Universiteit van Luxemburg (UL). Prof. Dr. Hans Bruyninckx, Directeur van het HIVA (Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving van de Universiteit van Leuven), zal de activiteiten ondersteunen in zijn hoedanigheid van deskundige van het cluster van de bio-economie.
|